Haar gezicht is vlekkerig rood, haar woorden spuugt ze vol venijn naar het meisje dat achter de kassa staat. ‘Ik heb verdomme een afspraak gemaakt. Waarom kan ik dan niet terecht?’
‘Er m-moet iets m-mis zijn gegaan, b-ben ik b-bang…,’ stamelt het arme kind. Met trillende handen bladert ze door de agenda, alsof de afspraak bij toverslag zal verschijnen.
‘Dom wicht! Zo moeilijk is het niet om iets te noteren, of wel soms? Heb je zaagsel in je hoofd? Je zorgt maar dat je plaats voor me maakt.’ Haar gemanicuurde nagels tikken ongeduldig op het hout van de balie.
‘Ik weet niet…’
‘Ik ben vaste klant en ik moet nú geknipt worden.’
Wat een trut. Ik wil er iets van zeggen, maar gelukkig komt op dat moment de bazin eraan. Ze gaat voor het nu bijna huilende meisje staan en wijst de boze vrouw vriendelijk maar gedecideerd de deur.
Even later ben ik aan de beurt. Met nog rode ogen knipt ze stilletjes mijn haar. Ik knoop een gesprekje aan en bij het betalen steek ik haar een paar euro fooi toe. Ik hoop dat ze de vorige klant snel vergeet.
Na mijn knipbeurt maak ik een flinke wandeling met de honden. Na ruim een uur eindigen we bij een terrasje, waar ik geniet van het voorjaarszonnetje en een glas Chardonnay. Het plein voor me is gevuld met vrolijk gelach, winterwitte armen en enkele zoete ijsjes.
Dan valt mijn oog op de hooggehakte, hoogblonde vrouw die aan het tafeltje naast het mijne gaat zitten. Zo te zien heeft ze een andere kapper zover gekregen om haar van dienst te zijn. Ze bestelt een roseetje en pakt een boek uit haar tas. Ik verbijt een lach als ik de titel zie, ‘Geen gezeur, meer wijn’.
Haar blik dwaalt steeds naar mijn honden en na een tijdje vraagt ze of ze hen mag aaien. Haar stem klinkt anders dan eerder vandaag, zachter, breekbaar. Ik knik en ze kroelt over de hoofden van mijn twee boxers.
Als ze vervolgens weer naar mij kijkt, zijn haar ogen waterig.
‘Ik heb die van mij gisteren moeten laten inslapen.’
Ze neemt bibberig een slok rosé en ik leg mijn hand kort op haar arm.
‘Hoe heette hij? Of zij?’
‘Zijn naam was Banjer. Ook een boxer.’ Ze veegt met een servetje haar wangen droog.
Ik condoleer haar. Ze richt zich weer op de dieren, die beiden hun snuit op haar knieën hebben gelegd.
‘Hoe heten ze?’ Haar stem kraakt een beetje.
‘Stoffer en Blik.’
Ze lacht klaterend. ‘Bedankt, dit had ik nodig.’ Ze staat op. ‘Ik ga ervandoor, ik moet nog ergens mijn verontschuldigingen aan gaan bieden.’
Ik kijk haar na als ze wegloopt en zwaai dan zelf om de rekening. Die blijkt betaald te zijn.